sermoen Jeroen Wielaert

Op 16 december besteeg in vol ornaat Jeroen Wielaert de kansel voor het uitspreken van zijn sermoen.
U kunt hier de tekst lezen die hij toen uitsprak:

VERVOERING

Ik heb het geloof verloren.

Ik geloof er niet meer in.

Of: ik ben van het geloof gevallen.

Kent u die uitdrukking?

Ik geloof dat hij zelden in een kerk wordt gebezigd.

Ja, het is goed dit deze middag eens serieus met u te delen in dit respectabele geloofshuis.

Het geloof verliezen.

Dat was ook het thema van een twijfelende jongen uit Groot Brittannië die zijn crisis ging verkonden met zijn popgroep en hier in Utrecht aan de grachten soelaas vond om verder te komen.

Ik ben pas nog even gaan kijken in de gang aan de Trans, de heilzame weg naar Lokaal 9. Hij staat er nog, de handtekening van Michael Stipe van REM, de man die zong over Loosing my religion, nu ook alweer lang geleden…

That's me in the corner
That's me in the spotlight
Losing my religion
Trying to keep up with you

Ach, het ging om een verloren lief.

Thema dat dicht ligt bij het ons verdriet.

Welnu.

Beminde bezoekers. Het gaat om een geloofscrisis en hoe daar uit te komen. Daarvoor moet ik met u terug naar het begin.

 

In den beginne was er de fiets. Eén van de meest opmerkelijke producten van de Industriële Revolutie. Aanvankelijk een luxe vervoermiddel voor de elites. Zij bewogen zich als voorname heren, maar soms ook vrouwen voort op onhandige gevaartes met een enorm voorwiel en een klein achterwiel. Er werd op neergekeken door het gewone volk, arbeiders die het schuim der aarde niet verdienden en hun superieuren op deze vehikels voorbij zagen komen.

Britse fietsontwerpers werkten ijverig door aan verbeteringen, diep gelovend in hun rijwiel. In 1885 presenteerde John Kemp Starley in Coventry trots zijn Rover Safety-model. Het was de geniale doorbraak naar de moderne fiets. Het frame had een diamantvorm met vijf hoeken en de trappers waren met een ketting verbonden aan het achterwiel. Deze elementaire constructie is sindsdien beproefd is gebleven, tot nu, als basis van de modellen van de eenentwintigste eeuw met hun eigen aerodynamica.

Er zijn er onder u: u gelooft in die fiets. U fíetst erop, zelfs.

Als nieuwigheid kreeg de fiets massa’s gelovigen. In productie van honderdduizenden exemplaren werd hij in het laatste decennium van de negentiende eeuw ook betaalbaar voor schoolmeesters en pastoors. Het was het begin van een sociale revolutie: de fiets bood nieuwe beweging, opende nieuwe ontsnappingsmogelijkheden voor tochten buiten de stad en dat genoegen bleef niet meer beperkt tot de elite.

De fiets werd een rage.

Vrijheid, onafhankelijkheid, beweging, ruimte.

Dát was de essentie, met alle goede gevoelens die erbij horen. Die emoties zijn nu nog steeds hetzelfde, U kent ze!

Het belangrijkste verschil is dat het toen nog allemaal zo volkomen nieuw was, lekker uit fietsen gaan, ook voor de Fransen. Het was de sensatie om op oude wegen een nieuwe tijd binnen te fietsen.

In een land dat net door zijn keizers en koningen heen was werd de fiets vereerd met een royale bijnaam: la petite reine, de kleine koningin.

 

Het bijzondere vehikel werd spoedig een onderwerp werd voor odes, voor bevlogen tekst. Ook kunstenaars raakten in de ban van de fiets en zeker niet de minsten:  mannen als Richard Strauss, Gustav Mahler en Émile Zola en een beroemde vrouw als actrice en zangeres Sarah Bernhardt.

Émile Zola nam graag de fiets om zijn vriendin en hun kinderen te bezoeken, een ritje van dik vijf kilometer, ten noordwesten van Parijs. Ze maakten ook samen tochtjes.

‘Het is de emancipatie van de vrouw door de fiets,’ merkte Émile luchtig op.

Hij liet zich in alle moderniteit ook fotograferen op zijn rijwiel – goed voor het moderne profiel van een dynamische schrijver.

Over de fiets schreef Zola  in 1897 zijn roman Paris, het verhaal van de voorspoedig draaiende fietsfabriek Grandidier.

In dit boek nam hij een lofzang op over de gezamenlijke fietstochtjes door het bos buiten Parijs: ‘Ze namen de weg naar Achères-aux-Loges die zich versmalde en omhoogging in een schaduwrijke intimiteit. Hun tempo verlagend, moesten ze stevig doortrappen op de heuvels, met verspreide kiezels. De weg was er minder goed, zanderig, uitgehold door de laatste regenbuien. Maar was de inspanning geen genoegen?’

Vol geloofsijver ging Zola verder: ‘Daar maak je er iets van voor jezelf, het is vermakelijk om hindernissen te overwinnen…Ik heb een hekel aan wegen die te lang te vlak en mooi zijn. Een kleine helling die opdoemt, als ze je maar niet te veel je benen breekt, het is het onvoorziene, het andere ding dat je opzweept en je doet ontwaken…En nog meer, het is heel goed om sterk te zijn, om door te gaan ondanks de regen, de wind en de heuvels.

Het was ver voor de zelfhulplectuur van later. En op zondagmorgen opstappen bij het Ledig Erf.

Zola besefte niet, althans hij benoemde het niet, dat de fiets hem sterkte in het gevoel van eigenwaarde, ja, het geloof in zichzelf.

Zijn Jeanne verrukte hem door haar goeie humeur en haar moed.

‘Goed,’ zei hij lachend, ‘zijn we dus vertrokken op onze ronde door Frankrijk? Onze Tour de France?’

 

Dan was er Pierre Giffard. Ik noem hem hier als eerste van de grote apostelen van de fiets. Als journalist van het blad Le Vélo verwoordde hij zijn persoonlijke openbaringen, ook al als een geloofsbelijdenis.

Hij schreef:  Nooit had ik de tevredenheid kunnen uitdrukken, het welzijn dat deze hygiënische sport de mens brengt. Het is onvoorstelbaar. Drie jaar geleden keek ik naar een voorbij komende velocipedist met de nieuwsgierigheid van een beest. Dat beest was ik. Hij was de man van de praktijk, de slimmerd. Ach! Hoe denk ik nu met hem mee, nu ik zijn instrument ook heb leren bespelen! En hoe zou ik mijn overtuiging willen overbrengen in de geest van de jongeren, als ik al die mannen zie die tegen de vijftig lopen en niet weten hoe ze zich moeten verdedigen tegen de tand des tijds…

Vol geloof in het heil van de fiets ging Giffard door: ‘Wat een remedie is deze sport tegen de wansmaak, de vroege zwaarlijvigheid, het zwellend vlees, zenuwinzinkingen, ziekte. Beoefend in passende doses lijkt het me vandaag een goede herstelvorm voor de zwaarder geworden man en een versterker voor de jonge volwassene. Hier toont zich dus, door ervaring en erkenning, een verwoed adept van de wielersport!’

 

Giffard was niet de enige journalist met oog voor de omwenteling die de fiets bracht. In een nieuwe uitgave van Le Journal des Sports stond een vlammende analyse van de vierentwintigjarige sportredacteur Géo Lefèvre. Voor hem was de fiets hét symbool van de omslag der tijden.

Wat ook hem bewoog was de eigen beweging.

In een saluut aan de eeuw van de fiets noteerde Lefèvre, ook al vol geloofsijver: ‘Het eind van de negentiende eeuw zou voor ons Fransen een buitengewoon tijdperk worden. Onze jeugd die begon te verloederen en af te stompen is op slag veranderd. Wij hebben de vernieuwing van de lichaamsoefening gezien, niet een langzame ontwikkeling, maar in één ware theatrale omslag, een verandering zo wonderlijk dat je van het werk van een fee zou kunnen spreken. De fee die zo machtig met het stokje heeft gezwaaid is de fiets. Het is de fiets die aan ingeslapen naturen de vreugde van de grote open lucht heeft geschonken, de lange uitstapjes en de gezonde moeheid, zij is het die leven heeft gebracht op de wegen van Frankrijk door er een meute op los te laten, hongerig naar uitgestrekte ruimten. En zij heeft ook het idee van de sport algemeen gemaakt. De meutes kwamen, gegrepen door de kleine koningin.

Hier werd niet gedanst om het Gouden Kalf, dreigde niet het geldelijk verderf van de Mammon, nee, het ging om de pure verlichting van de fiets, het vervoermiddel van een nieuwe verplaatsingsreligie.

De regels van Lefèvre waren tekst naar het hart van die andere prediker: Henri Desgrange. Hij publiceerde in 1894 een heus pedagogisch werk over de zegeningen van de fiets: La Tête et les Jambes.

Het boek was een soort bijbel. Het bevatte een reeks stichtende brieven, gericht aan een gefantaseerde jongen die wielrenner wil worden, met een hele reeks wenken voor het lichamelijk en geestelijk welzijn. Desgrange schreef aan zijn pupil: ‘Uw ziel moet nu glad zijn als een spiegel, geen plooi, geen rimpeling mag haar sereniteit beroeren.

De fiets ging voor het meisje: ‘U zult alle vrouwen die je tegenkomt aantrekkelijk vinden. Hou er nooit een langer dan een week. U zult merken dat het altijd op hetzelfde neerkomt. Laat andere dingen, zoals de fiets bijvoorbeeld, voorgaan.’

Naast klaarkomen moest een andere geslachtsactiviteit door oefening bedwongen worden: ‘Maak het uw lichaam zo vlug mogelijk gewoon dat het niet meer aan plassen denkt als het op een fiets zit.’ 

Plassen als methode om verboden middelen op te sporen was nog niet in zwang in die dagen.

Desgrange was een man van zijn tijd, geboren vijf jaar voor de smadelijke Franse nederlaag tegen de Duitse legers in 1870. Hij groeide op in de katterige sfeer die de republiek daarna lang bedrukte, het tergende, blijvende gevoel van een onverteerbare volksnederlaag. Daardoor raakte de jonge Henri diep gemotiveerd door het idee dat het beter moest met Frankrijk, ver van Utrecht.

Het frisse elan van het nieuwe Frankrijk waarin hij geloofde kon niet beter getoond worden dan op de fiets. 

 

Er was ondertussen iets anders wat Frankrijk diep verdeelde. Veel minder euforisch was het, een kwestie die raakte aan een veel ouder sentiment. Het ging over rassen, over eeuwenoud ressentiment dat door geen moderniteit weg te wissen was, ook niet in het schitterend verlichte Parijs. Juist dáár werd de toon gezet voor een scheurend conflict dat alles te maken had met de identiteit van de jonge Franse republiek en ook zou leiden tot een evenement dat de natie moest gaan verbinden: een ronde met de fiets.

In de lange nasleep van de Frans-Duitse oorlog werd de joodse legerkapitein Alfred Dreyfus in januari 1895 op dubieuze gronden veroordeeld wegens landverraad. Het leidde tot langdurig rumoer. Door de Dreyfus-affaire raakte Frankrijk jarenlang in twee kampen verdeeld, hele families werden erdoor verscheurd. De tegenstanders van Dreyfus meenden dat het leger belangrijk was voor het behoud van de democratie en lieten zich ook leiden door het gezag van de katholieke kerk.

Dreyfus zelf overleefde alles, zij het dat hij eerst werd opgesloten op Duivelseiland voor de kust van Frans-Guyana. Geleidelijk aan werd het duidelijk dat de kapitein het slachtoffer was van een antisemitisch complot. Emile Zola, nu minder luchtig gestemd dan tijdens zijn fietstochtjes, schreef er op 13 januari 1898 het vlammende proteststuk over dat werd gepubliceerd op de voorpagina van de krant L’Aurore onder de historische kop:  ‘J’Accuse’. 

In zijn eigen kolommen koos Pierre Giffard, voormalig legerofficier, openlijk partij voor Dreyfus. Daarmee wekte hij de woede van invloedrijke fabrikanten van auto’s en fietsen. Zij wilden een eigen sportdagblad en vroegen een gewiekste journalist aan: Henri Desgrange. Hij werd de hoofdredacteur van de nieuwe krant L’Auto-Vélo die voor het eerst verscheen op 16 oktober 1900.   

De voorpagina was een geloofsbelijdenis over de mogelijkheden van een nieuwe mens.

Desgranges stuk was zijn diepe geloofsovertuiging. Recht uit zijn hart. Opgewonden, verwoed proza over  geweldige nieuwe dagen en de afkeer van de oude, muffe tijd.

Hij schreef: ‘Wij leven beter en we leven sneller dan anders. Onze voorgaande generaties hebben de onverschilligheid van het schoolleven gekend, de eeuwige wandeling over het schoolplein, het eindeloos studeren zonder een deeltje schone lucht en daarna de flauwheid van het dagelijks werk met op zondag het afstompende vermaak van het café en het zwelgen, de bittere monotonie van biljart of meisjesschool, een leven dat altijd maar hetzelfde was, hetzelfde huwelijk, dezelfde kinderen, dezelfde pens van de kantoorbaas, het dommelen van de renteniers, hetzelfde testament, hetzelfde verdwijnen in het niets.

Maar vandaag vinden onze jonge Franse jongens in de scholen, bijna overal, een atletische verbondenheid die hen oppakt, vormt, leert zich te verdedigen en overal aan te vallen.  Ze verwerven karakter, besluitvaardigheid, oordeel, stoutmoedigheid, initiatief. Dat alles buiten de school, allen bewapend voor het gevecht, met weigering van de oude moederrok, klaar voor hun eigen weg, daar waar het heen moet, ver weg, of naar de koloniën…’

Woorden van Desgrange die als een kardinaal op u afkomen, ook nu!

In al die bevlogenheid was er een groot probleem. L’Auto-Vélo verkocht minder goed als evangelie. Desgrange werd steeds nukkiger, het geloof verminderde.

Hij zinde op een stunt maar kon zelf niets bedenken.  Eind november 1902 sprak hij erover met Géo Lefèvre. Het had iets wanhopigs, maar ze hadden het geloof in de fiets.

Ineens flapte Lefèvre eruit: ‘Laten we een meerdaagse ronde rijden. Net als de zesdaagse op de baan, maar dan op de weg. De grote steden zullen de renners verwelkomen.’

Hij wist dat de grote steden veel belangstelling hadden voor evenementen met beroemde renners. Dát geloof.

Desgrange keek Lefèvre aan met een mengeling van scepsis en nieuwsgierigheid.

‘Als ik je goed begrijp, Géo, stel je een Tour de France voor?’

Desgrange aarzelde, maar zijn boekhouder zag het wel zitten.

De Tour de France kon beginnen.

 

Henri Desgrange realiseerde zich nu heel goed welk zaaigoed hij in handen had. Met grote trots strooide hij het op 1 juli 1903 uit voor de start van de eerste Tour, onder de kop La Sémence, het zaad.  Het was een heftige hoofdredactionele ejaculatie.

‘Met het brede en machtige gebaar dat Zola in zijn De Aarde geeft aan zijn landarbeider gaat L’Auto, krant van ideeën en van actie,  vandaag door heel Frankrijk de onbezoedelde en ruwe zaadjes van energie verspreiden van onze grote professionele wegrenners.

Van Parijs naar de blauwe golven van de Middellandse Zee, van Marseille naar Bordeaux, bij het doorkruisen van alle door de zon in slaap gesuste, roze en dromerige steden, dwars door de Vendése velden, helemaal langs de Loire die langzaam en stil stroomt, gaan deze mannen voortvlieden, uitzinnig, onvermoeibaar en ze zullen op hun weg alle slaap tegenkomen die ze van zich af moeten schudden, ze zullen nieuwe krachten opdoen en de ambitie wekken om iets te zijn, al is het maar door spierkracht, wat toch meer waard is dan helemaal niets te zijn.

In vijfentwintighonderd kilometers, onder de bijtende zon en in de nachten die hen zullen verbergen in hun doodskleed, zullen ze vergeefsheid tegenkomen, ledigheid en luiheid, in de gigantische strijd waar ze zich toe verklaard hebben zal de verdoving ontwaken, ze zullen zich schamen om hun spieren te laten verstijven en een kleur krijgen van een buikje, want het lijf van deze mannen is door het grote werk op de weg erg mooi.’

U herkent iets, dames?

‘En dan nog, wie weet, als de lichamen zijn verbeterd, of de geesten en de hersenen dat ook niet wensen, of het al geworden zijn?

Ja, ik geef toe dat elke keer als onze dierbare krant een van dit soort grote wedstrijden schept en langs de honderden kilometers enthousiaste menigten op de been brengt, dan is dat vooral om mooie sportiviteit te verspreiden, in onze slaperige hoofden, gewikkeld in oude ideeën, in oude theorieën, in oude ledigheid, in vettige gemakzucht.

En het is daarom dat wij sinds drie jaar onze grote wegen veranderen; dat wij overal willen doordringen, de hele wereld willen zien, niet toestaan dat iemand op een dag kan zeggen: ‘Ik heb nooit de mooie schetsen van energie en de wilskracht aanschouwd die u hebt opgeroepen. Ach! Had ik het geweten!’ Dat zal niemand na de komende drie weken nog kunnen zeggen, want dan zijn we door heel Frankrijk geweest.’

Tot zover die eerste preek van Henri Desgrange, de ochtend voor de eerste Tour de France.

Woorden vol zingeving die nooit eerder klonken in dit huis, onze Geertekerk!

De eerste Tour de France was een bevestiging van het mirakel op wielen.

De vervoering was grenzeloos, met opstootjes op lokaal niveau, heethoofden rond lokale favorieten – alles wat de Parijse prediking niet had verkondigd. Desgrange vreesde al in 1904 dat de Tour aan zijn eigen succes ten onder ging, maar de vervoering won. Het evenement was ook door al dat onheil heel populair bij de lezers en dus goed voor de oplage van L’Auto.

Desgrange ging voort met het uitbouwen van de ronde als een combinatie van commercie en patriotisme. Na 1904 trok hij met de Tour naar de grenzen van de natie, om met een rondgang langs de hexagone, de Franse zeshoek de spierkracht van Frankrijk te tonen – vooral aan die oude tegenstander: Duitsland.

De Eerste Wereldoorlog legde de Tour voor vier jaar lam, was met het inferno van de loopgraven dat over heel Noord-Frankrijk niet goed was voor het geloof in de God van de kerk. Niet in het minst omdat menig kerktoren met de rest van de behuizing deel werd van de puinhopen.

Toch was er grote vreugde bij Henri Desgrange na de elfde november 1918, het einde van La Grande Guerre. Frankrijk kreeg de Elzas terug. De Tourbaas kon in 1919 naar Metz en Straatsburg als Franse steden.

‘We zijn weer compleet!’ schreef hij, één en al vervoering.

 

Hier past muziek. Het Franse volkslied, zoals vertolkt op het Carillon van de Domtoren, op 27 november 2007, ter gelegenheid van het bezoek aan Utrecht van Christian Prudhomme, de jongste opvolger van Henri Desgrange.  

MARSEILLAISE 2.00

 

Om geloof in eigen grond, trots van de natie gaat het ook dichter bij huis, in Vlaanderen, niet zo ver zuidelijk van Utrecht. In de voorname bisschopsstad waren ze net een kleine vijftig jaar bezig aan de bouw van de Dom, toen voor de muren van Kortrijk een veelbetekenende militaire confrontatie plaatsvond die bekend is geworden als de Guldensporenslag. Het gebeurde op 11 juli 1302, bijna twintig jaar voor ze in Utrecht begonnen aan de bouw van de Domtoren. Het had grote betekenis voor het geloof in Vlaanderen.

Die veldslag was het uitvloeisel van complexe West-Europese ontwikkelingen aan het eind van de dertiende eeuw. Vlaanderen was nog een Frans graafschap, maar het had ook grote belangen in de handel met Engeland dat net in oorlog was geraakt met Frankrijk. In dat spanningsveld kwam het tot een Vlaamse burgeropstand. Er volgde een reactie van het leger van Frankrijk. De slag van die elfde juli 1302 vond plaats op een zompig terrein aan de Groeningebeek bij Kortrijk. Het werd een fameuze Vlaamse overwinning. Trotse Franse ruiters liepen vast in de modder en werden afgeslacht door het Vlaamse voetvolk. De gebeurtenis kreeg later zijn betiteling door de vergulde sporen die gevonden werden op het slagveld.

Het werd het onderwerp van een grote nationalistische roman: de Leeuw van Vlaanderen, van Hendrik Conscience. Het leidde na de verschijning in 1838 tot grote Vlaamse vervoering. Het boek gaf een  romantische draai aan de historische feiten, maar het bood zeven jaar na de losmaking van Nederland een passende invulling van de grote behoefte aan heroïsch elan. Het boek fungeerde ook leidraad voor nieuw Vlaams zelfbewustzijn.

Voor Conscience was de Vlaamse dapperheid en vechtlust het belangrijkste. Zijn boek werd laat in de negentiende eeuw gelezen door een vurige jonge Vlaming: Karel Steyaert. Opgewonden las hij de laatste zinnen van Consciences werk: ‘Gij Vlaming, die dit boek gelezen hebt, overweeg bij de roemrijke daden, welke het bevat, wat Vlaanderen eertijds was, -wat het nu is, - en nog meer wat het worden zal, indien gij de heilige woorden uwer voorvaderen vergeet!

De jongen uit Torhout legde het boek weg.

Nee, die boodschap zou hij niet vergeten. Hij schreef later: ‘Ik voelde ‘t: we hadden een eigen Gulden Sporenslag te winnen!’ Dat ik mijn Vlaanderen, zijne Taal en zijn Volk lief had, dat voelde ik aan de beroering van mijn gemoed, aan de trillingen van m’n ziele, aan de kloppingen van mijn hert, bij het lezen dier heerlijke bladzijden over het Groeninger Veld….

Het was de basis voor de bevlogenheid van Steyaert, aan zijn inzet voor de Vlaamse zaak. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot de Vlaamse Beweging, werd een overtuigd flamingant.

Er bestond voor hem niets leukers dan te schrijven over wielrennen, in krachtige Vlaamse termen. Hij was aangemoedigd door de ook in Torhout woonachtige pater en auteur Juul Callewaert. Die had hem heel beslist gezegd: ‘Ge moet!’

De geestelijke schrijver vond dat Karel moest uitleggen hoe ‘de verstandelijke mensch ook zijn gading vinde in de Sport.

De jongen concludeerde: ‘Volgens Pater Callewaert heb ik dus een zending: een predikheer in sportkostuum!’

In die stiel waar eerst nog zo op werd neer gekeken was iets hoogs te bereiken. Er was aanzien en geld mee te verdienen. En Vlaanderen kon er kracht mee laten zien, ook al reden ze niet rond met gulden sporen.
Het wielrennen en de journalistiek gingen tot Steyaerts arsenaal behoren in zijn eigen slag tegen de anti-Vlaamse bourgeoisie. Daarvoor koos hij een naam die hem meer voornaamheid moest geven, om niet te zeggen adeldom. Om zelf een geziene heer te worden leende hij de naam van het roemruchte kasteel vlak buiten Torhout waar hij geboren was, bewoond door een schatrijke bankiersfamilie: Wijnendale.  Zo kwam hij in 1913 als organisator aan de start van de eerste Ronde van Vlaanderen, zijn eigen veldtocht, nu, als ik u spreek, bijna honderd jaar geleden.

De Vlaamse media –kranten, radio, televisie, internet- doen er elke lente het hunne aan om de Ronde op te hemelen als het beste wat het land te bieden heeft, óók als mooiste promotie van het land. Dat is een groot, gedeeld commercieel belang. Hier keert steevast en optioneel dat ene woord terug: ‘hoogmis’. Het is een mooie, passende kerkelijke betiteling voor een wielerwedstrijd die geen schade heeft geleden door de onthullingen over grootschalig seksueel misbruik door katholieke geestelijken, van welke rang ook.

In de aanloop en op de dag zelf is de Ronde van Vlaanderen heiliger dan ooit, lijkt het. Dan mogen ze de kasseien verwensen en vloekend en tierend over de hellingen gaan, maar komt het beste van het land boven in onverminderde devotie voor het labeur van het veloke, in immense communie beleefd in Vlaanderen. Dat is ouderwets en modern tegelijk. Het is de tijdloosheid van een vervoering.

Opium voor het volk, dat ook zeker, gemengd met heel veel pinten bier. Een zalige verdoving.

De Ronde van Vlaanderen blijft een Grootse Volksviering die over het algemeen voorbij gaat zonder wanklanken, geen aantrekkingskracht heeft op hooligans. Tijdens de Ronde drommen de mensen samen in een oprechte solidariteit van Vlaamse wielervreugde, jawel, dan staan arbeider en professor naast elkaar. Maar toch is er onderscheid: de gewone fans zitten in afwachting van de passage der coureurs voor de buis in hun café, het hogere volk mag zich laven in de Vip-tenten die zich als witte schimmels in het groen en over de pleinen uitspreiden. Zo baden ze langs de koers in hun eigen voortreffelijkheid.

Ook hier is het de ijdelheid der ijdelheden. Alles is ijdel en het najagen van de wind. Maar met wind mee is het goed fietsen. En met wind tegen breekt alles in waaiers.

 

Nederland kent die typische vervoering niet, althans niet voor koersen van eigen bodem, op de doortochten op het altaar van de Cauberg na.

Heel anders wordt, het als een Grote Ronde ons land aandoet. De organisatoren van achtereenvolgens de Tour de France, de Giro d’Italia en de Vuelta d’Espagna hebben verbaasd gestaan over de enorme volksmassa’s die hun evenementen trokken. Dan zeiden ze: ‘Staat heel Nederland hier langs de weg?’

Verplaatsen we ons nu met die Franse en Vlaamse vervoering dus naar Utrecht.

Stelt u zich dat voor, zeg ik u, in mijn Houten Broek, in de Geertekerk.

Bedenk wat de fiets voor de stad kan doen die toch niets bespaard is gebleven, tot en met een enorme plaag van fietsen. (Laat ze het in Parijs niet horen…)

Ik ken die zorg, ondanks het geloof in de fiets.

U kent het verdoemde begrip, dat treurige besef, die psychische gesteldheid: de tweede stad. De Raymond Poulidor aller steden, altijd tweede achter Jacques Anquetil.

Nu dus afgewezen als kandidaat voor Europese Culturele Hoofdstad. Dat was forse bijvoeding voor de hardnekkige gedachte dat Utrecht de stad is die het altijd net weer niet haalt. In dit geval was er de troost dat ze de afwijzing deelde met Den Haag, stad waar opeenvolgende regeringen er blijk van geven dat cultuur niet hun eerste prioriteit heeft, integendeel, laat staan dat het een geloof is.

En nu is het Leeds, dat na Rotterdam de voorkeur kreeg boven Utrecht om er de Tour van start te laten gaan.

Arm Utrecht. Zie je wel, hoorde ik ze zuchten, want zo is Utrecht, een stad van zuchten.

Ik weet nog hoe de stemming was na het opperen van het idee om de Tour onder de Dom te laten starten, nu tien jaar geleden. In Utrecht reageerden ze: ‘dat kunnen wai niet. Zijn we aaals statsjie te klein voor.’

Dat schiet op, een dergelijke begeestering.

Op zijn Wijk-C’s zeg ik: ‘Het is een jááánkende scháánde!’

Wéér dat inferieure gevoel – typerend voor een volkomen misplaatst zelfbeeld uit een voorbije tijd, de tijd dat Utrecht écht een suffe provinciestad was. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw bleken veel Utrechters zich niet te realiseren hoezeer hun stad gegroeid was en hoeveel groei er nog kwam. Nee, het was geen statsjie meer.

Realistische stadsbestuurders als Annie Brouwer en Hans Spekman zagen het wel, zij beseften dat de Tour de France onder de Dom de bekroning zou kunnen zijn van de nieuwe dynamiek in het hartsjie van Nederland, dat Utrecht zich zou kunnen ontworstelen van dat droevige idee een tweede stad te zijn.

Er waren wat hindernissen. De voormalige burgemeester van Utrecht, de oude Ivo, vond de Tour ook wel iets voor Rotterdam. Welnu, daar zijn we sinds de Tourstart van 2010 voorgoed van verlost. Opeenvolgende Tourdirecteuren zijn in tien jaar tijd in passende vervoering geraakt voor wat ook voor hen een in het centrum van de Pays-Bas verscholen parel bleek te zijn.

Ze laten Utrecht alleen nog even wachten. Ze koesteren Utrecht, tot de dag dat ze zeggen: ‘Nous arrivons.’ We komen! Ik zeg u, die dag is niet ver meer!

Christian Prudhomme beseft al langer heel goed dat Rotterdam wellicht een wereldbekende havenstad is, maar dat Utrecht de kern is van één van de snelst groeiende metropolen in Noord-West-Europa. Een stad van klasse die met de Tour de France extra élan verwerft, met beelden die de wereld over zullen gaan.

Eerst toch even naar Leeds dus, in 2014. Logisch, met Bradley Wiggins, als eerste Brit in de geschiedenis als Tourwinnaar. Dat wekte een golf van vervoering in Engeland, die toch even getemperd werd door berichtgeving uit het duister.

Het was de hel en de verdoemenis van de dopingopenbaringen rond Lance Armstrong, een groot wielrenner en, zoals gebleken is, ook een meesterlijke bedrieger.

Het wielrennen was van God los geraakt, omdat God had moeten lossen, met zoveel vertoon van dubbele moraal en vreemd bloed in de benen.

Het was een beproeving. Ook voor mij. Ik dreigde het geloof te verliezen, net als de tollenaars van de Rabotempel.

Maar de loutering volgde met een besef van realiteit en het behoud van vervoering. Zo moet het zijn.

Ik zeg u: wie zonder zonde is, is in de topsport en in het wielrennen niet goed wijs. In het zweet des aanschijns zult u bedrogen worden.

Indachtig eerwaarde Desgrange houd ik u voor dat het zaad tot Utrecht gaat, met nieuwe krachten tegen de vergeefsheid. En na Van Wijnendaele houd ik u voor welk een slag er te winnen is.

Ik zeg u, in besef van de volheid van zonden, de weerkerende duister van het kwaad, de zwakte van het vlees, de versterking der middelen, het voortduren van de plagen,

met het zuur in de benen zeg ik u, dat zuiverheid een illusie is in de Tour, want het blijft een ongelooflijke opdracht, een onmogelijk zware beproeving, te verrichten in overgave, in schitterende smerigheid van een enorme schoonheid.

Dát wil ik u meegeven in mijn houten broek. Hier in de Geertekerk zeg ik u: wees Rooms en vergevingsgezind en verheug u op een feest zoals de Dom nooit heeft aanschouwd.

 

U bent verdrietig over het ontberen van Europese cultuur? Ik zeg u, de sport op dit niveau ís cultuur, hoogwaardig straattheater met grote gelaagdheid. En de helikopterbeelden van de Tour zullen Utrecht ver buiten Europa over de wereld verspreiden.

De Tour is en blijft een heerlijke, aardse, vervloekte, opgehemelde bedevaartstocht, met alles van ophef en geloof, hel en verdoemenis, magie en vervoering. Daarom zeg ik u, blijft het goed om het zaad te verspreiden.

Het is voor een burgemeester niet zo moeilijk om te zeggen, met de volheid van het geloof, met passende intonatie en onverbiddelijk gezag de raad voor te houden:

´WE GAAN HET DOEN, OMDAT WE HET GAAN DOEN.’

Het gaat om trots, besef van eigen kunnen, zonder arrogantie, zonder megalomanie.

Niet ver van de Dom zeg ik van deze kansel: laat u niet afleiden door dorps geweeklaag, maar: Behoud het Geloof en onder de Dom zal het Mirakel verschijnen!