sermoen Koos Meinderts

Op 26 september besteeg Koos Meinderts het spreekgestoelte. Hij ontvouwde de brief aan zijn zoon Thijs, een open brief, ook bestemd voor het aandachtig luisterende publiek. De geschreven woorden kregen klank en kleur in een sfeervolle voordracht. Koos maakte doeltreffend gebruik van de draagkracht die de houten broek aan gesproken woorden pleegt te verlenen. Na de brief las hij, begeleid door componist/pianist Thijs Borsten, zijn verhaal voor van De Vuurtoren. Het was een ingetogen, sfeervolle bijeenkomst, waarvan dit keer helaas geen geluidsopname tot stand kwam, vanwege een technische onvolkomenheid.

In plaats daarvan volgt hier de volledige tekst van de open brief: " Koester het geheim".

Open brief aan mijn zoon

Utrecht,

herfst 2010

Lieve Thijs,

Word jij weleens wakker met een liedje in je hoofd? Ik wel, elke ochtend weer, nu al weken achtereen, sinds ik Het regent zonlicht kreeg opgestuurd, de cd bij mijn laatste dichtbundel. Gisteren werd ik wakker met Meisjes, meisjes, ik spaar mooie meisjes, ik heb er nu al acht, en vandaag stond ik op met het titellied van de cd. Het gaat over een moeder en haar kind, maar eigenlijk over alle ouders en alle kinderen, dus ook over  jou en mij:

 

Het regent zonlicht

op de wereld

op het meisje in het gras

 

Hoor haar moeder

zingt een liedje

voor haar dochtertje van glas

God behoudt haar

voor de kraaien

en de allereerste kras

 

voor de hobbels

en de kuilen

en het snijden van het gras.

Uit: Het regent zonlicht, Lemniscaat 2010

14 oktober is het alweer 24 jaar geleden dat ik vader werd. Vóór die tijd, toen jij nog naamloos rondwentelde in de schoot van je moeder, was je nog alles en eeuwig. Je lag tussen ons in en we noemden je afwisselend Judith en Thijs. Je was een meisje, je was een jongen, je had de  ogen van je moeder en de mond van je vader. Je was volkomen gaaf met alles erop en eraan, je had tien vingers, tien tenen, je was blind, je had een hazenlip, een onvolgroeid been en werd doodgeboren.
Op 14 oktober 1986 om één minuut over half drie kwam onze fantasie in aanraking met de werkelijkheid en hield alles op en begon jij.

Het woord was vlees geworden.

Je moeder en ik, wij hebben je uit de sterren geplukt. We hebben je beroofd van de eeuwigheid en in ruil daarvoor het leven gegeven, maar ook de dood.

 

Met het vaderschap kwam ook de angst in mijn leven, angst dat jou iets zou overkomen.

Ik heb een kind dat wil ik houden, heeft collega-liedjesschrijver Hans Dorrestijn het aanleg voor het visioen ooit eens treffend samengevat.

En natuurlijk zal jou iets overkomen, wist ik toen jij, niet zwaarder als een paar pakken melk, voor het eerst in mijn armen lag.
Het leven is een verhaal Thijs, maar niet altijd een sprookje. Het is hobbels en kuilen, en overal liggen kraaien liggen op de loer, maar je zult ze zelf moeten leren wegjagen.
Mijn bescheiden rol als vader is je te wijzen: kijk, dat is een roodborstje en dat is een kraai, en verder moet ik je loslaten, anders loopt het met je af zoals met het kind uit het Jiddische volksliedje Oyf ‘n veg.

 

Langs de weg staat een boom,

kaal en krom gebogen.

Alle vogels één voor één

zijn er uitgevlogen.

 

’Mama, mama,’ smeekt het kind,

‘hou op met me te wiegen.

Ik wil klimmen in de boom

en als een vogel vliegen.’

 

’Jongen, jongen, doe het niet,

ik wil je niet verliezen.

Je zult daar in de boom

van de kou bevriezen!

 

Maar als je toch zo nodig wilt,

trek aan je warmste kleren:

een sjaal, een muts, een extra trui,

dan kan de kou jou niet deren.’

 

Daar zit de jongen in de boom:

een vogel zonder veren.

Tot vliegen is hij niet in staat

door die vracht aan kleren.

 

Droef kijkt hij zijn moeder aan.

‘Mama, waarom liet je mij niet gaan?’

 

Zijn moeder kust hem op de mond.

Haar liefde houdt hem aan de grond.

Uit: Verdriet is drie sokken, Lemniscaat 2008

 

Moeders weten wat. Ze doen het ook nooit goed. Zeker in de ogen van hun dochters niet, is jou dat ook opgevallen? Dochters houden van hun moeder, maar op hun manier. Zo zeggen ze dat.

Ik hou wel van moeder, maar op mijn manier.

Ik wil daar altijd nog eens een lied over schrijven, de eerste regel heb ik al:

O psychiater, ik hou van haar, ik haat er.

Bij mannen is dat anders, alle mannen houden van hun moeder, jij toch ook, daar hoef je echt geen homo of Italiaan voor te zijn, toch?

 

Het leven is een verhaal van huizen. Twee huizen krijg je cadeau, het eerste en het laatste huis, de moederschoot en de schoot van moeder aarde. Als je het zo bekijkt is de dood een soort terug bij af, alleen je ontvangt geen 200 gulden en gaat direct naar de gevangenis, voor levenslange opsluiting. Of geloof jij in gratie en is er leven na de dood?

Het tweede huis dat je bewoont is je ouderlijk huis, en dat huis draag je je hele leven als een slak met je mee.

Hoe verder van huis, hoe groter de heimwee.

In mijn geval is dat heimwee naar Loosduinen. Ging ik de voordeur uit stond ik in de Evertsenstraat, ging ik de achterdeur uit, kwam ik terecht op het Nieuwe Slag, een niet verharde weg door de duinen, daarachter wist ik de zee:

 

Achter de duinen ligt de zee

Daartussen ligt het strand

De zee, dat is mijn moeder

En mijn vader is het land

 

Ik daartussen ben het kind

Spelend in het zand

Nog geen idee waarheen te gaan

Naar zee of naar het land

 

Twee voeten in de aarde

Mijn hoofd hoog in de wind

Ben ik mijn vader en mijn moeder

Ben ik mijn eigen kind

 

Eert uw vader en uw moeder

Zoek je zelf een thuis

Op het land, weg van het strand

Of bouw een schip als huis.

Uit : Achter de Duinen, De Harmonie 1999

 

Misschien is dat de opdracht, jezelf een huis te zoeken, waar en met wie dan ook, want:

Waar de liefde woont, gebiedt de heer zijn zegen.

Zal ik dat in navolging van collega-dichter Anton Korteweg een keer  voor je in een stuk triplex branden, met een hete breinaald?

Het heeft lang geduurd, maar ik heb mijn huis gevonden, in de liefde en in mijn werk, ik ben op mijn plaats gevallen, hier hoor ik thuis, maar het geboortehuis laat niet los, of ben ik het die het niet loslaat?

Ik draag het met me mee, maar kan er niet meer bij, in tijd en plaats niet, maar dat maakt de heimwee en het verlangen er niet minder om. Geef me een Mariakaakje en ik tuimel achterover terug in de voltooid verleden tijd:

 

Onder het asfalt ligt het Nieuwe Slag

Het paradijs ging daar verloren

Nooit zul je op een warme zomerdag

Het doppen van de pinda’s horen

 

Geen fikkie wordt er meer gestookt

Geen knie kapot gevallen

Geen sigaretje stiekem meer gerookt

Niet  meer gehuild om lek geschoten ballen

 

Geen moeder hangt meer wasgoed op

Geen knijper wordt meer aangegeven

Geen Berini komt het paadje op

Geen kind is kind gebleven

 

 Op nummer 20 woonden we, in een arbeiderswoning uit de jaren 30,  met zijn tienen, vier jongens, vier meisjes, een vader en een moeder. Vind je dat een groot gezin? Da’s helemaal geen groot gezin, dat van mijn tante,  dat was een groot gezin. Die had achttien kinderen, en haar man was nog op jonge leeftijd gestorven ook.  

Kinderen nam je niet in die tijd, kinderen kreeg je, tenminste als je katholiek was en dat waren mijn ouders, keurige katholieken.

In zekere zin heb ik mijn bestaan dus aan Rome te danken, mij zul je dan ook niet horen klagen dat de paus het gebruik van pil en condoom verbiedt:

Laat de Koosjes tot ons komen.

 

Het was een veilige wereld die langzaam groter werd, als de kringen op het water, wanneer je een steentje in de vijver gooit.

De wereld werd al ietsje groter toen ik naar de  Rooms-katholieke lagere school ging, de Petrusschool, alleen voor jongens.
De meisjes gingen naar de Mariaschool.

De weg ernaar toe liep langs de katholieke kerk en de pastorie met een indrukwekkend standbeeld van Onze Lieve Heer, een standbeeld dat een plekje kreeg in een van mijn kinderboeken en in Zo mooi, een lied van Harrie Jekkers en mij:

 

Ze was mooi, het was in 61

Op het kerkplein de lantaarns gingen aan

En het standbeeld van de Lieve Heer

Keek zwijgend op ons neer 

We moesten allebei naar huis maar bleven staan

En toen ik vroeg heb jij je huiswerk

Voor morgen al gemaakt

Zei ze proef eens hoe mijn lippenstift

Naar Coca-Cola smaakt

 

De herinnering aan het standbeeld is van mij, die aan het meisje met de lippenstift jammer genoeg van Harrie.

 

Op de Havo kwam ik er pas echt goed achter dat de wereld velen malen groter was dan Loosduinen en Den Haag.

Ik ging boeken lezen en naar muziek luisteren, ik ontdekte de poëzie, de schilderkunst en het theater.

Alsof er een luik naar de wereld werd opengezet.

Die wereld wilde ik in, later als ik groot ben en dat later begon toen ik op 20-jarige leeftijd in Leiden op kamers ging wonen en Loosduinen definitief achter me liet.

Mijn moeder, die jou oma zou worden, wilde weten waar ik terecht zou komen, en was die dag met me meegegaan, ze vond het maar niks, zo’n klein kamertje, maar ze liet me gaan.  Haar liefde stond mijn vlucht niet in de weg.

’s Middags bracht ik haar weer naar de trein, ze moet me een zoen hebben gegeven, iets onhandigs hebben gemompeld, ik herinner  het me niet precies meer, maar ik weet nog wel dat ik met tranen in mijn ogen de trein met daarin mijn moeder, ongetwijfeld ook in tranen, net zolang heb nagekeken tot hij helemaal uit het zicht was verdwenen, de rails tussen mij en mijn moeder als een ijzeren navelstreng.

 

Je bent uit vrije wil vertrokken

Er kwam geen engel aan te pas

Van je vader kreeg je geld mee

Van je moeder een warme jas

 

Het kan daarbuiten koud zijn, zei ze

En toen gaf ze je een zoen

Je vader hield het bij een handdruk

De bomen juichten van het groen

 

Zonder kaart en zonder route

Begon je hoopvol aan je reis

Met de wereld aan je voeten

Met  in je rug het Paradijs.

 

Geloof het of niet Thijs, maar ik soms ben ik stikjaloers op je, hoe jij met jouw nog jonge ogen gretig de wereld opdrinkt.

Je hebt van het kijken zelfs je studie gemaakt, kunstgeschiedenis.

‘Kijk ook een beetje voor mij,’ vroeg ik je toen je een paar maanden geleden met je medestudenten, één oudere man maar verder alleen maar meisjes, meisjes, ik spaar mooie meisjes, naar Florence ging.  En in gedachten zag ik je staan in de  San Marco, voor de Annunciatie van Fra Angelico.

 

En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.
En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.

(…)
En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?

En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat uit U geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
(Lucas 1, vers 30-36)

 

Herinner je Lotte nog? Ze zat bij jou in de klas, op basisschool de Spits in Lunetten en jullie waren vriendje en vriendinnetje. Lotte mocht de engel Gabriël spelen, in het kerstspel op school.

‘Wees maar niet bang,’ kondigde ze vanuit de coulissen haar komst aan. Ze zei dat zo dreigend dat het meisje dat Maria speelde meteen haar tekst kwijt was, waarop Lotte nogmaals en nu nog dreigender haar openingszin uitsprak: ‘Wees maar niet bang!’

Je moeder en ik zeggen dat nog weleens tegen elkaar, als we het vliegtuig in stappen bijvoorbeeld, om onze angst voor neerstorten te bezweren.

Wie geen geloof meer heeft, moet het doen met bijgeloof.

 

De Spits was de enige katholieke basisschool waar je op hebt gezeten. Als kleuter zat je op de openbare Kohnstammschool en toen je tien was verhuisde je met ons naar Tuindorp en ging je na de Paasvakantie naar groep 6 van OBS Tuindorp. De ideale sandwichformule, zou je kunnen zeggen.

Een broodje katholiek.

De middelbare school heb je zelf uitgekozen, de keuze viel uiteindelijk op Blaucapel, christelijk voortgezet onderwijs voor mavo, havo en VWO.  Het heet nu het Gerrit Rietveldcollege, maar is nog onverminderd christelijk.

 

Openbaar, katholiek en christelijk. Alle drie de onderwijszuilen zijn vertegenwoordigd. Het ontbreekt je religieuze opvoeding alleen nog  aan een islamitische school, maar dan had je Fra Angelico’s Annunciatie wel heel anders bekeken:

 

Wij stuurden Ghabriël tot Maria in de gedaante van een beminnelijk mens.
Maria zei: ‘Ik neem mijn toevlucht tot God.’

Hij zei: ‘Ik ben Ghabriël, de boodschapper van  God en ik kom je een zoon geven.’

Maria zei: “Hoe kan ik een zoon krijgen als nog geen man me aangeraakt heeft? Ik ben geen onzedige vrouw.’

Hij zei: ‘Het is wat het is. God heeft dit gezegd: “Voor mij is het eenvoudig. We zullen het als een wonder voor de mensen laten zijn. Een geschenk van onze kant, en het is een voldongen feit.”’

Maria trok zich met Ghabriël terug op een verafgelegen plek en ze raakte zwanger.

 

Aldus Kader Abdolah in zijn versie van de Koran, nadrukkelijk een vertaling genoemd. Door Ramsy Nassr, de Dichter des Vaderlands, minachtend omschreven als teletubby-vertaling, maar dat past wel bij mij, als kinderboekenschrijver.

 

Maria zwanger van Gabriël! Natuurlijk! Dat ik daar als katholiek jongetje destijds zelf nooit op ben gekomen. Het pleit wel voor me: een jongetje was ik, maar een zedig jongetje.

Toen nog wel.

 

In de bijbel bevalt Maria van Jezus, de zoon van God. In de Koran heet Jezus Isa en is hij net als Mohammed alleen maar een profeet, een boodschapper van God, en van God is er maar een: Allah.

Heerlijk overzichtelijk.

‘Een is een, ene God alleen, ene Zaligmaker en anders geen’, zongen wij voor Kapelaan S., onze godsdienstleraar op de lagere school.
Maar zo eenvoudig als het klonk, was het niet. Behalve God de Vader had je ook nog de Zoon en de Heilige Geest, het Cocktail Trio van de Rooms-katholieke kerk, de Heilige Drie-eenheid.  

Drie en toch één. Hoe leg je dat in Godsnaam uit, moet kapelaan S. op een avond hebben gedacht, terwijl hij in de pastoriewoning naast de kerk zat uit te buiken van een ongetwijfeld overvloedige maaltijd.

Lekker eten en het roomse geloof gaan heel goed samen.
Smulpapen, het woord zegt het al.

Eerst maar eens de brand steken in zo’n eeuwig fijne sigaar en met het aanstrijken van de lucifer had kapelaan S. de oplossing gevonden. Hij zou de jongens van de vierde klas van de Petrusschool Zaag morgen eens versteld doen staan, en dat deed hij!

Hij riep drie jongens voor de klas die hij vroeg elk een lucifer aan te steken om hen vervolgens te vragen de drie afzonderlijke vlammetjes naar elkaar te brengen. En zagen we wat er gebeurde? De drie  vlammetjes versmolten tot één!

Drie en toch één. En zo zat het ook met De Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Een sterk staaltje aanschouwelijk godsdienstonderwijs, dat me tot op de dag van vandaag is bijgebleven.

Jaren later zou ik kapelaan S. die ook mijn biechtvader was, nog eens tegenkomen, als godsdienstleraar, op de Pedagogische Academie, zoals de Pabo destijds heette. Hij had het met ons, aankomend onderwijzers, zwaar te verduren.

Niemand die nog meer geloofde en de enkeling die het wel deed, hield zijn mond erover. Geloven was uit.

Geloven deed je in de kerk en een van de laatste de laatste keren dat ik naar de kerk was geweest, was voor de begrafenis van mijn vader, jouw opa, in oktober 1973,  en toen was er van mijn geloof niet veel meer over en zeker geen geloof in een goede en rechtvaardige God. Een God die goed en rechtvaardig is, zou het nooit over zijn hart hebben verkregen mijn vader zo jong tot zich te roepen. En zo ja, zou hij nooit hebben toegestaan dat kapelaan W. zich bezondigd had aan de tekst op  de rouwkaart van mijn vader.

Zijn laatste woorden waren: ik weet dat mijn Verlosser leeft, had hij namens mijn vader geschreven.    

Ik weet dat mijn verlosser leeft! En dat moeten wij geloven?

Ik wil nog één keer een haring met uitjes, komt dichter in de buurt van mijn vaders famous’ last words.
Sterft! had ook een goeie geweest. Dat zei-ie altijd als met klaverjassen de kaarten in de laatste slag niet vielen zoals hij had verwacht, wat overigens zelden voorkwam.

Je opa had gouwe handjes, Thijs. Wat dat betreft is het niet zo erg dat hij er op de jaarlijkse familiedag er niet bij is. Hij zou elk jaar met de klaverjasbeker naar huis gaan.

 

Maar nog even over kapelaan S., op de pedagogische academie.  Een paar lessen had hij ons nog weten te boeien met Jesus Christ Superstar, eerst met de film en daarna met de gelijknamige dubbel-LP, maar toen was het op. Hij leed er zichtbaar onder en ik had met hem te doen.ijs Hij Hij was hij een aardige man, met een vriendelijk, rond gezicht en blozende wangen, én hij was supporter van de Rooms-katholiek sportvereniging GDA, mijn voetbalclub, waarvan hij geestelijk adviseur was, wat inhield dat hij voorafgaand aan het jaarlijkse ontbijt voor de GDA-jeugd de Heilige Mis opdroeg in de openlucht, op het voetbalveld, en dat hij aan het eind van het seizoen in zijn priesterkloffie meespeelde in een gekostumeerde voetbalwedstrijd, een onderling treffen van prominente GDA’ers: oud eerste-elftalspelers,  bestuurders en  vrijwilligers, mannen en vrouwen  door elkaar.  Je zult het niet geloven, maar uit deze wedstrijden is bij GDA het damesvoetbal voortgekomen.

Een van de godsdienstlessen op de pedagogische academie herinner ik me nog heel goed. Kapelaan S. vertelde over Lourdes en het geneeskrachtige Lourdeswater. Van Lourdes had ik al gehoord, op de lagere school. Toen geloofde ik nog heilig in de wondere werking van het Lourdeswater, een geloof dat enigszins aan het wankelen werd gebracht toen een blinde mevrouw uit de Hovybuurt in Loosduinen op kosten van de kerk naar Lourdes afreisde, in de hoop haar gezichtsvermogen weer terug te krijgen, zodat zij eindelijk met eigen ogen kon zien hoe mooi haar dochter was. 

Helaas, ze was en bleef blind. Dat komt, wist mijn vriendje André Kraan uit de Trompstraat te vertellen, omdat ze er niet echt in gelooft. En dan werkt het niet.

Een afdoende verklaring, toen. Maar op de pedagogische academie was dat niet langer het geval. Bij mij niet en bij mijn klasgenoten niet. Kapelaan S. probeerde te redden wat er te redden viel en hield ons voor: Goed dan geloven jullie niet in het wonder van Lourdes, maar ik voor mij, ik blijf zeggen, als je ziet hoeveel gore pleisters en vieze verbanden  er daar  in het water ronddrijven, vind ik het een wonder dat je d’r niet ziek van wordt!

 

Ik schreef je al dat kapelaan S. ook mijn biechtvader was. Gereformeerden zijn heel jaloers op het sacrament van de biecht, hoewel ze dat nooit zullen toegeven. Vraag maar aan je moeder. Wedden dat zelfs zij als ex-gereformeerde zal zeggen het maar niks te vinden dat je alleen maar door ‘sorry’ te zeggen de Here God weer onder ogen kan komen.

Ik vond het een uitkomst om eens in de zoveel tijd te biecht te kunnen gaan. Niet in de laatste plaats omdat het onder schooltijd gebeurde. En als ik een doodenkele keer weinig tot niets had op te biechten, dan loog ik net zo makkelijk wat zonden bij elkaar: Ik heb iets lelijks gezegd, Eerwaarde Vader en ik heb een appel gepikt bij Gerrit de groenteboer, ik heb mijn broertjes en zusjes gepest, alle zeven, en ik ben brutaal geweest tegen de meester op school.

Een rijtje alledaagse zonden dat ik, met roomse slimheid afsloot met te zeggen: O ja, Eerwaarde Vader, ik lieg ook weleens.

Veel vaker had ik genoeg te biechten en betrad ik met  een ziel zo zwart als de stoflongen van een gemiddelde Limburgse mijnwerker de biechtstoel. Een minuut of tien later kwam ik er na het opzeggen van de Oefening van Berouw (opbiechten alleen was niet genoeg, je moest ook oprecht spijt betuigen) weer uit en als ik dan ook nog de mij opgelegde Weesgegroetjes en Onzevaders had opgezegd, was mijn ziel weer zo schoon en blank als de witte waterlelie.

Ik zie mezelf nog teruglopen over de Haagweg naar ons huis in de Evertsenstraat, in mijn eentje, zonder mijn boezemvrienden André en Korrel en zeker zonder mijn broertjes Aad en Wim, want voor je het wist was het ruzie en vloekte ik ze stijf of deelde ik een beuk uit en had ik de eerste vlek op mijn schoongewassen ziel alweer te pakken.

 

Het is bijna oktober en oktober en mei zijn de Mariamaanden, dan wordt ’s avonds in de kerk het rozenhoedje  gebeden.

Ik heb dat altijd een mooi woord gevonden, rozenhoedje. Ik zag het ook helemaal voor me: een rieten hoedje waarin de geurigste rozen waren gestoken. Onder dat hoedje danste het mooiste meisje van Loosduinen, een zigeunerachtig meisje dat ik Rita noemde, naar de dochter van de smid op de Kijkduinse weg, waar je in de winter ook je schaatsen kon laten slijpen.

In oktober was het al donker als ik ’s avonds voor het rozenhoedje naar de kerk liep. Onderweg haalde ik mijn rozenkrans, gekregen van mijn peettante, uit het etuitje. Onder het licht van de lantaarnpaal kleurden de roze kralen van mijn rozenkrans blauw. Een wonder! Goed, minder spectaculair dan de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus, maar toch: een wonder!

Je moest eens weten Thijs, wat een talent ik destijds had voor het wonder en voor het geloof. Ik geloofde werkelijk alles, dat ik een kind van God was, dat ik een Engelbewaarder had, dat de ooievaar kindertjes bracht, dat er zich een kaboutertje verscholen hield in een gat in de schutting van de schuur, dat hoe dieper je in de gekkentuin kwam, hoe gekker en gevaarlijker de gekken werden, dat mijn ouders nooit dood zouden gaan, dat we altijd met zijn allen in de Evertsenstraat zouden blijven wonen, waar we tot in alle eeuwen der eeuwen amen in de zomer aardbeien zouden eten in de serre, en in de winter in de kamer aan tafel erwtensoep uit de blauwe pan van mijn opoe, een pan zo groot dat je er een baby in kon wassen.

En ik geloofde tot ver in de vijfde klas in Sinterklaas. Mijn moeder heeft op een dag een einde gemaakt aan mijn geloof in de Goedheiligman. 

‘De meesten kwamen er vanzelf achter dat Sinterklaas niet bestond. Koos niet,’ vertelde mijn moeder aan mijn broers Aad en Harrie toen zij haar ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag interviewden over haar leven.


‘Ik zie mezelf nog staan onder de spiegel in de keuken. Ik zei: “Koos, geloof jij nog in Sinterklaas?”
“Ja! Dat geloof ik echt hoor,” zei ie. “Nou,” zei ik, “dat is helemaal niet waar hoor, papa en mama betalen dat, die kopen die cadeautjes allemaal.”

Later had ik er spijt van dat ik het had gezegd. Hij was al zijn illusies kwijt, hij was er nog niet aan toe.’

 

Mijn moeder had gelijk Thijs, ik was er nog niet aan toe. Nog steeds niet eigenlijk. Je wordt ouder en de dingen verliezen hun glans en worden wat ze zijn, dingen.

 

Ik geloofde vroeger echt

dat ik een Engelbewaarder had

Dat had mijn moeder me verteld

en dan geloofde je dat

 

Ongelooflijk vond ik dat

Dat ik een eigen engel had

Speciaal voor mij alleen

Opeens telde ik voor twee

Hij liep altijd met me mee

Waar ik ook was

(…)

Als ik bij het oversteken

Nog net op tijd was uitgeweken

Voor een tram

Kwam dat door hem

(…)

Ik wou hem zo graag zien

Wie weet lukte het misschien

Als ik in de spiegel keek

Soms draaide ik me pijlsnel om

Stel dat ik hem betrappen kon

Maar ik zag hem nooit.

En had ik een keertje pech

Dan dacht ik: is mijn engel weg

Waar zou hij zijn?

Als ik pijn had of verdriet

Dacht ik waarom helpt hij me niet.

Bestaat hij wel, bestaat hij niet.

 

En op zoek naar mijn engelbewaarder

Mijn onzichtbare lijfwacht van hoge komaf

Verloor ik de hemel op aarde

Mijn reddende engel die me vleugeltjes gaf

 

Sinds ik niet meer geloof

Dat engelbewaarders bestaan

Ben ik bij gebrek aan een engel

Maar achter mezelf gaan staan
Uit: Achter de duinen, Harrie Jekkers en Koos Meinderts, De Harmonie 2010

 

Het is zoals het is, Thijs. Op een dag is de engel gevlogen en sta je er alleen voor, veroordeeld tot vrijheid:

 

Onder zijn kleren is elk mens bloot

Naakt word je geboren en naakt ga je ook dood

Maar er is hoop Thijs, in dit naakte bestaan, er is altijd hoop.

Uiteindelijk komt alles altijd helemaal goed, zelfs als het niet goed komt, komt het toch nog goed, zolang je in alle vrijheid zelf glans aan de dingen weet te geven.

Poetsen Thijs, we moeten poetsen, poets de roze kralen op, net zolang tot ze blauw zien, Let the mystery be:

 

Het leven is een raadsel, geheimzinnig het bestaan

Waar gaan we naar toe en waar komen we vandaan

Niemand weet waarom we op de wereld zijn

Ik vind het best, ik koester het geheim

 

Leef je maar een leven, is de dood je droevig lot

Is er een hiernamaals aan de rechterhand van God

Je kunt in Niets geloven, of dat er Iets moet zijn

Het is wel best, ik koester het geheim

 

Ik wantrouw elk antwoord, om het even welke God

Ik geloof nog minder in straf en in verbod

Ik geloof in liefde en er voor de ander zijn

En voor de rest, koester het geheim.

Vrij naar:Let the mystery be van Irish Dement

 

Liefs,  je vader, voor altijd en eeuwig, voor zolang als ik duur.